Diagnostiek en behandeling van het Complex Regionaal Pijn Syndroom (CRPS)

Diagnostiek en behandeling van het Complex Regionaal Pijn Syndroom (CRPS)

Diagnostiek en behandeling van het Complex Regionaal Pijn Syndroom (CRPS)

Auteur: Peter Lucassen. 

Wat is CRPS?
Het Complex Regionaal Pijn Syndroom (CRPS), voorheen posttraumatische dystrofie, wordt gedefinieerd als ‘een syndroom dat wordt gekenmerkt door aanhoudende regionale pijn die in duur of ernst niet in verhouding staat tot het gebruikelijke beloop na een trauma of andere laesie. ‘Spontane’ CRPS is waarschijnlijk voorafgegaan door niet opgemerkte weefselbeschadiging. Het aangedane gebied is groter dan het door het trauma beschadigde gebied. De pijn is continu, regionaal – niet in een specifiek zenuwgebied of dermatoom – en heeft meestal een distale lokalisatie met abnormale sensorische, motorische, sudomotorische, vasomotorische en/of trofische afwijkingen. Inspanning kan de klachten verergeren. Pijn en motorische dysfunctie (beperkte knijpkracht, beperkte beweeglijkheid van het gewricht) blijven vaak langer dan 1 jaar bestaan. Men onderscheidt CRPS-1 en CRPS-2; de laatste gaat gepaard met zenuwletsel. De incidentie van CRPS-1 ligt tussen 5 en 29/100.000 persoonsjaren. CRPS-2 is veel zeldzamer. De oorzaak van CRPS is waarschijnlijk inflammatie. Het beloop is slecht voorspelbaar. Risicofactoren zijn vrouwelijk geslacht, postmenopauzale status, fracturen en immobilisatie en hoge initiële pijn. De rol van psychologische factoren is niet eenduidig; verwachtingen, angst en gedragsmatige gevolgen kunnen het beloop wel beïnvloeden.
Een recent overzichtsartikel (van der Spek e.a. 2025) gaf aanleiding up-to-date kennis uit te zoeken over de diagnostiek en behandeling van CRPS, mede aan de hand van de multidisciplinaire richtlijn Complex Regionaal Pijn Syndroom type 1 (2022).

Diagnose CRPS
De diagnose CRPS moet, na herstel van het oorspronkelijke letsel, gesteld worden op de klinische kenmerken. Hiervoor bestaan IASP criteria. Er bestaat geen eenvoudige bloed- of beeldvormende test: sommige centra bepalen het sIL-2R om een actieve ontstekingscomponent te duiden, maar dit is geen standaard diagnostiek. Een verhoogd sIL-2R gehalte betekent dat er nog inflammatie is en dit heeft mogelijk consequenties voor het beleid. Er is enige evidence dat glucocorticosteroïden effectief zijn in dit stadium, maar de multidisciplinaire richtlijn adviseert daar terughoudend mee te zijn vanwege de bijwerkingen.
Op basis van klinische presentatie zijn vier fenotypen voorgesteld: inflammatoir (roodheid, oedeem), vasomotorisch (koud, blauwpaars), neuropathisch (allodynie, hyperalgesie) en motorisch (dystonie, tremor). Deze indeling kan helpen bij klinisch redeneren, maar is nog niet formeel gevalideerd.
In de richtlijn wordt expliciet gesteld dat het nuttig is om behalve de somatische factoren ook aandacht te besteden aan de psychosociale factoren, omdat die kunnen bijdragen aan het pijnbeloop en de keuze van de juiste behandeling. Daarnaast is het altijd goed om aandacht te besteden aan de context van aanhoudende lichamelijke klachten, zoals wat de gevolgen zijn de patiënt en zijn of haar omgeving.

Conservatieve behandeling
De conservatieve behandeling bestaat uit paramedische (fysiotherapie, ergotherapie) en medicamenteuze behandeling. Gedoseerd bewegen is de behandeling van voorkeur. In het begin is pijncontingente behandeling beter qua effectiviteit, bij langer bestaande klachten (na 6 maanden) overgaand in een tijdcontingente behandeling. Hierbij richt de fysiotherapie zich op de aangedane extremiteit en de ergotherapie op de dagelijkse activiteiten.
De evidence-based medicamenteuze behandeling is afhankelijk van het subtype. Bij een inflammatoir beeld (met afwijkend sIL-2R gehalte) NSAIDs en in uitzonderingsgevallen glucocorticosteroïden naast paracetamol en zwak werkende opioïden; er is geen plaats voor sterk werkende opioïden. Dit kan gecombineerd worden met DMSO crème 50% vijf keer per dag gedurende 3 maanden. Bij de vasomotorische (koude) vorm zijn er aanwijzingen dat een calciumblokker effect kan hebben. Bij de neuropathische vorm (allodynie, hyperesthesie) schrijft men naast pijnstillers gabapentine voor. Bij motorische verschijnselen zoals dystonie of myoclonie baclofen of diazepam.

Invasieve behandeling
Bij zeer ernstige pijn kan klinisch toedienen van ketamine intraveneus helpen, maar uitsluitend voor behandelrefractaire CRPS in een hooggespecialiseerde setting. Bij ernstige dystonie of myoclonie kan de baclofen intrathecaal toegediend worden. Voor vroeger gebruikte behandelingen zoals sympaticusblokkade en amputatie bestaat geen evidence. Soms kan ruggenmergstimulatie de kwaliteit van leven flink verbeteren.

Conclusie
De diagnose CRPS is moeilijk te stellen, het beloop is langdurig met ernstige klachten en invaliderend. In de beginfase is fysiotherapie in combinatie met ergotherapie essentieel, meestal in combinatie met pijnbestrijding. Soms is er een reden om calciumblokkers, gabapentine, baclofen of diazepam voor te schrijven of ruggenmergstimulatie te proberen. Patiënten hebben het meest baat bij teams met ervaring in CRPS en oog voor zowel somatische als psychosociale factoren.

Peter Lucassen is huisarts-onderzoeker aan de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde, Radboudumc, Nijmegen.

Referenties
Multidisciplinaire richtlijn Complex Regionaal Pijn Syndroom type 1 , Federatie Medisch Specialisten

Van der Spek DPC, Dirckx M, Mangnus TJP, Cohen SP, Huygen FJPM. Complex Regional Pain Syndrome. Evidence-based review. Pain Pract 2025;25:e13413.

 

 


Related Posts

Back to Top