Het lichaam in de psychoanalyse: tussen afstemming en overinterpretatie

Het lichaam in de psychoanalyse: tussen afstemming en overinterpretatie

Het lichaam in de psychoanalyse: tussen afstemming en overinterpretatie

Auteur: Maud Rikkers.

Bij psychoanalyse denken we misschien al snel aan de grondlegger Freud en aan de klassieke analyse waarbij de patiënt op een bank ligt met achter zich een therapeut. In deze traditionele setting is het de bedoeling dat de patiënt zoveel mogelijk – ongecensureerd – probeert te vertellen wat er in hem of haar opkomt. De taal, het gesproken woord, vormt hier het belangrijkste instrument om (onbewuste) conflicten te verhelderen. Deze klassieke psychoanalytische behandeling wordt dan ook wel de ‘talking cure’ genoemd. Inmiddels heeft de psychoanalyse zich sinds vorige eeuw steeds verder ontwikkeld,  zowel in theorie als in de praktijk. Voorbeelden van meer recente loten aan de psychoanalytische stam zijn de gehechtheidstheorie, de neuropsychoanalyse, mentalisation-based treatment en psychoanalytische psychotherapie.

De auteurs van het (hypothesevormende) artikel dat ik hier bespreek, zijn zelf psychoanalytisch opgeleid en praktiserend. Alhoewel Freud in zijn vroegste theorie ‘het ego’ in eerste instantie als een lichamelijk ego beschouwde, is er volgens de auteurs binnen de ‘talking cure’, maar ook in de latere psychoanalytische varianten, te weinig aandacht voor nonverbale uitingen en interactie. Terwijl, zo stellen zij, juist de aandacht voor de betekenis van nonverbale aspecten van wezenlijk belang is in het begrip en de behandeling van symptomen. In hun artikel onderbouwen zij met psychoanalytische concepten hoe synchrone lichamelijke klachten bij patiënt en therapeut zouden kunnen ontstaan (Markova & Enache, 2026). Ik dit referaat reflecteer ik op hoe dit denkkader enerzijds helpend is in het therapieproces, maar ook een te versimplificeerd (en stigmatiserend) beeld geeft van lichamelijke klachten in therapie.

De auteurs onderzoeken de samenhang tussen de vroege ontwikkeling in relatie tot een hechtingsfiguur, het vermogen tot mentaliseren, taalverwerving en lichamelijke klachten. Hierbij beschouwen zij de aanwezigheid van lichamelijke klachten als een falend vermogen tot ‘symboliseren’. Dit kan spelen bij de patiënt, maar ook bij de therapeut. Symboliseren verwijst hier naar het proces waarbij gevoelens en ervaringen mentaal betekenis krijgen en verwoord kunnen worden, in plaats van alleen lichamelijk beleefd te worden. De auteurs hanteren een duidelijk psychoanalytisch verklaringsmodel waarin lichamelijke klachten primair worden opgevat als uitdrukking van onvoldoende gesymboliseerde affectieve ervaringen. Vanuit hedendaags biopsychosociaal perspectief is dit een eenzijdige conceptualisatie, omdat lichamelijke klachten daarmee impliciet psychologisch worden geduid, zonder empirische onderbouwing of differentiaaldiagnostische overwegingen.

In de psychoanalytische theorie en praktijk zijn processen als overdracht, tegenoverdracht en projectieve identificatie van groot belang in het begrip van de patiënt en de behandeling. Een voorbeeld: een therapeut is een beetje bang voor de woede van een patiënt, die vindt dat hij niet goed behandeld wordt (overdracht). De therapeut is zich niet zo bewust van deze angst en laat de sessie uitlopen in tijd (tegenoverdracht). In de loop van de therapie raakt de therapeut steeds meer gefrustreerd over de therapie en geïrriteerd over de patiënt die niet opknapt en alleen maar klaagt en eist (projectieve identificatie waarbij gevoelens van de patiënt als het ware opgenomen worden door de behandelaar). 

Deze over en weer (onbewuste) processen spelen zich ook op lichamelijk niveau af, zeker als de patiënt beperkt kan voelen en denken over wat er zich afspeelt in zichzelf (emotioneel en lichamelijk) en geen woorden hiervoor heeft. Met begrippen als interbody communication, intersubjectiviteit, belichaamde simulatie, en interbrain synchronisatie schetsen de auteurs een theoretisch kader. Met interbody communication doelen zij op impliciete lichamelijke afstemming: subtiele veranderingen in houding, spierspanning, ademhaling en autonome activatie die in interactie wederzijds kunnen resoneren, vaak buiten het bewuste bewustzijn. Intersubjectiviteit verwijst daarbij naar een gedeeld ervaringsveld in de therapeutische relatie, waarin affecten zich tussen beide personen ontwikkelen en mede vorm krijgen. Het begrip belichaamde simulatie gebruiken zij om te onderbouwen dat het waarnemen van de ander in het eigen lichaam representaties kan oproepen die qua gevoel en lichamelijke toon lijken op wat de ander ervaart. Met interbrain synchronisatie verwijzen zij naar literatuur over gedeeltelijke synchronie in neurale activiteit tijdens intense interacties. Vanuit deze nadruk op lichamelijke afstemming verkennen de auteurs ook wat dit betekent voor therapeutische interactie met AI-systemen.

Daarnaast worden deze begrippen toegelicht met een casusbeschrijving. Met deze casus speculeren de auteurs dat er sprake kan zijn van een “overname” van lichamelijke klachten van de patiënt door de therapeut, als er onbewuste processen in de onderlinge dynamiek spelen, die niet verwoord (gesymboliseerd) kunnen worden door zowel de patiënt als de therapeut.

In de casus wordt de ontwikkeling van bloedende aambeien bij de therapeute gekoppeld aan tegenoverdrachtsgevoelens in de behandeling van een patiënt met een narcistische persoonlijkheidsstoornis en hechtingsproblemen, die kampt met lichamelijke klachten, waaronder terugkerende bloedingen door darmklachten. De auteurs beschrijven dat deze bloedende aambeien bij de therapeut steeds ontstonden in fasen waarin de behandeling vastliep en de patiënt sterke emoties opriep, zoals boosheid, schaamte en afhankelijkheid, die moeilijk bespreekbaar waren binnen de therapie.

Voorgaande casus riep bij mij de nodige vraagtekens op. De auteurs verbinden het ontstaan van aambeien bij de therapeut direct aan het verhaal en de klachten van de patiënt en kennen hier een symbolische betekenis aan toe. Er wordt nauwelijks stilgestaan bij de minder betekenisvolle maar statistisch waarschijnlijkere mogelijkheid dat de therapeut zelf toevallig bloedende aambeien ontwikkelde. Een alternatieve lezing zou ook kunnen zijn dat interpersoonlijke spanning via stress- en houdingsmechanismen tot bijvoorbeeld obstipatie en bloeden van aambeien hebben geleid bij de therapeut, zonder dat hiervoor een symbolische betekenisoverdracht hoeft te worden verondersteld. Opvallend is bovendien dat de behandeling via beeldbellen plaatsvond, terwijl de mogelijke invloed van deze fysieke afstand op afstemming en interpretatie niet wordt meegenomen in de analyse.

Juist door een extreem voorbeeld te kiezen, waarin lichamelijke klachten van de therapeut symbolisch worden verbonden aan die van de patiënt, ondermijnen de auteurs paradoxaal genoeg de overtuigingskracht van hun eigen theoretische kader. De beschreven intersubjectieve afstemming is plausibel; een directe somatische parallel blijft echter hoogst speculatief. Wat overeind blijft, is het uitgangspunt van de verwevenheid tussen lichaam en geest en de (onbewuste) invloed op intersubjectieve processen in een behandeling. Zo weten we inmiddels meer over neurobiologische mechanismen van interpersoonlijke afstemming, waarbij het waarnemen van andermans pijn ook lichamelijke resonantie kan oproepen. Of dat de menstruatiecycli van vrouwen die samenleven synchroon kunnen gaan lopen. Het is interessant om verder te onderzoeken hoe al dit soort impliciete processen een rol spelen in therapie, en hoe dat ten dienste zou kunnen zijn in behandelingen. Dat vraagt ook om aandacht voor het eigen lichaam van de therapeut als onderdeel van zelfonderzoek. In psychotherapeutische opleidingen zou hier veel meer aandacht aan besteed moeten worden.

Samenvattend: het artikel biedt een interessante visie op belichaamde afstemming in therapie en is daarom lezenswaardig, maar laat tegelijk zien hoe dun de grens kan zijn tussen betekenisvolle lichamelijke interactie en het psychologiseren van lichamelijke klachten. Voor therapeuten onderstreept dit spanningsveld het belang van lichamelijke afstemming als klinische informatiebron, zonder lichamelijke symptomen automatisch als symbolische uitdrukking te interpreteren.

Maud Rikkers is klinisch psycholoog bij Dimence Alkura.

Markova E & Enache G (2026) Embodied simulation, body language, and symbolization: understanding somatic symptoms in psychoanalysis. Front. Psychol. 17:1642418.


Related Posts

Back to Top